Soms denk ik dat mijn leven vooral bestaat uit reageren. Op berichten, op nieuws, op verwachtingen die ik mezelf heb opgelegd. Mijn telefoon trilt, de NOS-app meldt weer iets dat ik eigenlijk al wist, en ergens in mijn hoofd schuift een onzichtbaar to-do-lijstje een plekje op. Het is een soort permanente stand-by-modus, waarin ik wel “aan” sta, maar niet echt open.
Onder de douche gaat het beter. Daar, in dat kleine universum van warm water en stilte, lijkt er ineens ruimte te ontstaan. Gedachten die zich normaal schuilhouden achter deadlines en verplichtingen, steken voorzichtig hun hoofd om de hoek. Soms zelfs iets dat op inspiratie lijkt. Maar zodra ik me afdroog, verdampt het weer. Alsof ideeën weten dat ze in de echte wereld minder kans maken.
Wachten tot iets zich aandient
De afgelopen maanden merkte ik hoezeer ik dat openstaan ben gaan missen. Niet het openstaan voor alles – dat is onmogelijk, en eerlijk gezegd ook onverstandig. “Een mens is niet in staat zich alles in de wereld aan te trekken,” schreef ik ooit, en dat geloof ik nog steeds. Maar er is een verschil tussen jezelf beschermen en jezelf afsluiten. En ergens tussen die twee raak ik soms de weg kwijt.
In de kerk lukt het me nog het best om weer ontvankelijk te worden. Misschien omdat het gebouw zelf al een soort tegenstem is tegen de hectiek. Geen pushmeldingen, geen reclames voor leaseauto’s of nieuwe schoenen. Alleen mensen, stilte, woorden die al eeuwen meegaan. Soms zit ik daar en denk ik: dit is het enige uur in de week waarin ik niet hoef te reageren, maar mag wachten. Wachten tot iets zich aandient. Een gedachte, een inzicht, een klein vonkje dat ik niet zelf hoef te produceren.
Zonder doel
Ik vraag me weleens af of dat misschien de kern is van geloof – of van mens-zijn überhaupt. Niet het najagen van betekenis, maar het toelaten ervan. Zoals het Ruth Stone overkwam, ze schrijft erover in het boek Big Magic. Stone werkte aan het begin van de vorige eeuw op de velden van een boerderij n Virginia en soms hoorde ze een gedicht – als een galopperend paard – naar haar toe komen. Op zo’n moment rende ze naar huis om het gedicht voor te blijven, in de hoop dat ze snel genoeg pen en papier zou vinden om het gedicht op te schrijven. Op die manier, wanneer deze haar bereikte, kon ze het grijpen en de woorden op papier zetten.
Soms was ze te laat. Ze kon het gedicht dan weg voelen vliegen, op zoek naar een andere dichter. Een heel enkele keer echter, kon ze het dichtwerk nog net bij de staart pakken. Op dat uitzonderlijke moment begon ze te schrijven en startte bij het laatste woord. Ze trok tijdens het schrijven als het ware het gedicht weer in haar lijf terug.
Rennen en stilstaan
De afgelopen maanden heb ik het meermaals gehad over toeval. Hoe dingen mij toch wonderbaarlijk toe-vallen. Hoe ik soms het gevoel heb dat gedachten en ideeën mij gegeven worden. En dat maakt me dankbaar en nederig: ik heb dat niet aan mijzelf te danken. In mei, wanneer alles buiten weer opengaat, ga ik een poging wagen meer tijd en ruimte te maken voor dit toeval. Een uur zonder telefoon. Een wandeling zonder doel. Een gesprek zonder haast. Niet
om productiever te worden, of creatiever, of maatschappelijk relevanter, maar om weer even te voelen dat ik leef vanuit een bron die niet door mijzelf wordt aangeboord.
Misschien is dat wel de meest bescheiden vorm van engagement: aanwezig zijn. Niet overal, niet altijd, maar wel echt. En wie weet, heel misschien, komt er dan iets langsgerend dat het waard is om op te schrijven.
Door dominee Jaap Marinus